Isaiah 47:1-15

DSV_Strongs(i)
  1 H3381 H8798 Daal af H3427 H8798 , en zit H6083 in het stof H1330 , gij jonkvrouw H1323 , dochter H894 van Babel H3427 H8798 ! zit H776 op de aarde H3678 , er is geen troon H1323 [meer], gij dochter H3778 der Chaldeen H3254 H8686 ! want gij zult niet meer H7121 H8799 genaamd worden H7390 de tedere H6028 , noch de wellustige.
  2 H3947 H8798 Neem H7347 de molen H2912 H8798 , en maal H7058 meel H1540 H8761 ; ontdek H6777 uw vlechten H2834 H8798 , ontbloot H7640 de enkelen H1540 H8761 , ontdek H7785 de schenkelen H5674 H8798 , ga door H5104 de rivieren.
  3 H6172 Uw schaamte H1540 H8735 zal ontdekt worden H2781 , ook zal uw schande H7200 H8735 gezien worden H5359 ; Ik zal wraak H3947 H8799 nemen H6293 H8799 , en Ik zal [op] [u] niet aanvallen H120 [als] een mens.
  4 H1350 H8802 Onzes Verlossers H8034 Naam H3068 is HEERE H6635 der heirscharen H6918 , de Heilige H3478 Israels.
  5 H3427 H8798 Zit H1748 stilzwijgende H935 H8798 , en ga H2822 in de duisternis H1323 , gij dochter H3778 der Chaldeen H3254 H8686 ! want gij zult niet meer H7121 H8799 genoemd worden H1404 koningin H4467 der koninkrijken.
  6 H5971 Ik was op Mijn volk H7107 H8804 zeer toornig H2490 H8765 , Ik ontheiligde H5159 Mijn erve H5414 H8799 , en Ik gaf H3027 hen over in uw hand H7760 H8804 ; [doch] gij beweest H7356 hun geen barmhartigheden H2205 , [ja], [zelfs] over den oude H5923 maaktet gij uw juk H3966 zeer H3513 H8689 zwaar.
  7 H559 H8799 En gij zeidet H1404 : Ik zal koningin H5769 zijn in eeuwigheid H3820 ; tot nog toe hebt gij deze dingen niet in uw hart H7760 H8804 genomen H319 , gij hebt aan het einde H2142 H8804 daarvan niet gedacht.
  8 H8085 H8798 Nu dan, hoor H5719 dit, gij weelderige H983 ! die zo zeker H3427 H8802 woont H3824 , die in haar hart H559 H8802 zegt H657 : Ik ben het, en niemand H490 meer dan ik: ik zal geen weduwe H3427 H8799 zitten H7908 , noch de beroving van kinderen H3045 H8799 kennen.
  9 H8147 Doch deze beide H7281 dingen zullen u in een ogenblik H935 H8799 overkomen H259 , op een H3117 dag H7908 , de beroving van kinderen H489 en weduwschap H8537 ; volkomenlijk H935 H8804 zullen zij u overkomen H7230 , vanwege de veelheid H3785 uwer toverijen H3966 H6109 , vanwege de menigte H2267 uwer bezweringen.
  10 H7451 Want gij hebt op uw boosheid H982 H8799 vertrouwd H559 H8804 ; gij hebt gezegd H7200 H8802 : Niemand ziet H2451 mij; uw wijsheid H1847 en uw wetenschap H7725 H8790 heeft u afkerig gemaakt H3820 ; en gij hebt in uw hart H559 H8799 gezegd H657 : Ik ben het, en niemand meer dan ik.
  11 H7451 Daarom zal er over u een kwaad H935 H8804 komen H7837 , gij zult den dageraad H3045 H8799 daarvan niet weten H1943 ; en een verderf H5307 H8799 zal er op u vallen H3201 H8799 , hetwelk gij niet zult kunnen H3722 H8763 verzoenen H6597 ; want er zal snellijk H7722 een onstuimige verwoesting H935 H8799 over u komen H3045 H8799 , dat gij het niet weten zult.
  12 H5975 H8798 Sta H2267 nu met uw bezweringen H7230 , en met de veelheid H3785 uwer toverijen H834 , waarin H3021 H8804 gij gearbeid hebt H5271 van uw jeugd H3276 H0 af; of gij misschien voordeel H3201 H8799 kondet H3276 H8687 doen H6206 H8799 , of gij misschien u [kondet] sterken.
  13 H3811 H8738 Gij zijt moede geworden H7230 in de veelheid H6098 uwer raadslagen H5975 H8799 ; laat nu opstaan H8064 , die den hemel H1895 H8802 waarnemen H3556 , die in de sterren H2374 kijken H2320 , die naar de nieuwe manen H3045 H8688 voorzeggen H3467 H8686 ; en laat ze u verlossen H935 H8799 van die dingen, die over u komen zullen.
  14 H7179 Ziet, zij zullen zijn als stoppelen H784 , het vuur H8313 H8804 zal ze verbranden H5315 , zij zullen zichzelven H5337 H8686 niet kunnen rukken H3027 uit de macht H3852 der vlam H1513 ; het zal geen kool H2552 H8800 zijn om [bij] te warmen H217 , [geen] vuur H3427 H8800 om daarvoor neder te zitten.
  15 H3021 H8804 Alzo zullen zij u zijn, met dewelke gij gearbeid hebt H5503 H8802 , uw handelaars H5271 van uw jeugd H376 aan, elk H5676 zal zijns weegs H8582 H8804 dwalen H3467 H8688 , niemand zal u verlossen.